Mollen in de tuin
|
De mol – Talpa Europaea
Dracht : 4 tot 5 weken
Aantal jongen : 3 tot 5 (soms 7)
Levensduur : tot 3 jaar |
Het gebit van insectivoren is afgestemd op hun voeding. Het bestaat uit een groot aantal tanden, tot 40 stuks, en is geheel compleet. Dit wil zeggen dat het gebit is samengesteld uit snijtanden, kleine kiezen en kiezen. | 
|
Toch zijn hun tanden, die door de bijzondere bouw zeer scherp zijn, niet geschikt om voedsel te kauwen, maar uitsluitend om mee vast te grijpen en te verscheuren.
De kiezen die voorzien zijn van stekelige punten, vormen een van de voornaamste kenmerken van deze dieren.
Het gezichtsvermogen is beperkt, maar de reuk, tastzin en scherp gehoor maken dit tekort aan gezichtsvermogen weer goed.
Weinig andere zoogdieren zijn wat betreft hun lichaamsbouw zo perfect gevormd voor een leven onder de grond.
Het volledige lichaam, staart inbegrepen, is 12 tot 15 cm (maximaal 18 cm) lang. De kop loopt zonder dat er sprake is van een nek over in het lichaam. De staart heeft slecht een lengte van 2.5 tot 3 cm. Het gewicht van een volwassen mol varieert tussen de 90 (vrouwtjes) en 120 gram (mannetjes). De langwerpige snuit vormt een soort boorinstrument en verfijnd tastzintuig door de aanwezigheid van een groot aantal tastharen. Trillingen worden zeer goed waargenomen. Bij een verdachte trilling slaat de mol op de vlucht. Dus is niet onbelangrijk als men een mol op heterdaad wil betrappen : dus énkel bij het wroeten kan men een mol verrassen !! De mond is voorzien van 24 scherpe tanden. Het uitwendige oor is niets meer dan een richel, maar het inwendige oor is zeer sterk ontwikkeld en ook zeer gevoelig. Hij kan dan ook perfect geluiden lokaliseren. Zeer scherp is ook de reukzin : hij ruikt regenwormen door een laag van 6 cm aarde ! |
Deze reukzin samen met het gehoor en de tastzin maken het bijna volledig ontbreken van het gezichtsvermogen goed. Lange tijd dacht men dat de mol volledig geen ogen had, maar dat is niet correct. In werkelijkheid bezit de mol zeer kleine ogen. Deze zijn bijna niet te zien omdat ze diep in de dichte pels liggen en bijna altijd bedekt zijn door een dunne opperhuid, waardoor de mol met moeite licht ziet.
| 
|
Het graafvermogen heeft de mol te danken aan de vorm van zijn voorpoten. Deze zijn zeer kort en stevig en eindigen in een soort lange platte hand met een ruwe eeltachtige handpalm.
Ze houden deze handpalm naar buiten en naar achteren gericht zodat ze gemakkelijk kunnen graven en de losgewoelde aarde kunnen verplaatsen. Voor het graafwerk dat de mol ermee verricht wisselt hij steeds van poot, beurtelings de rechter en de linkerpoot. De vijf tenen hebben sterk ontwikkelde nagels. De achterpoten zijn langwerpiger, minder robuust en ook voorzien van vijf tenen, maar met zwakkere nagels dan die van de voorpoten. Ook de dichte, kortharige pels maakt het voor de mol gemakkelijker zich te verplaatsen. Het lichaam is, met uitzondering van het puntje van de neus en de uiteinden van de poten, bedekt met vacht. Onder de grond loopt de mol al even snel voorruit als achteruit. Men vindt de mol in elke soort grond, met uitzondering van al te vochtig en rotsachtig terrein.
De mol houdt in tegenstelling tot de meeste insectivoren géén winterslaap. Wel gaat hij dieper de grond in. Dit doet hij zowel om zich beter tegen de koude te beschermen als om insectenlarven te zoeken, die zich bij koude eveneens op vrij grote diepte bevinden. De mol is dus het gehele jaar actief, maar zijn activiteit is vooral in de lente groot. Hij graaft dan met een ongelooflijke snelheid (12 meter per uur !) volgens schema een ingewikkeld gangenstelsel, dat niet voor elke mol dezelfde is, maar wel steeds aan hetzelfde doel beantwoord. Er zijn 2 soorten gangen : de vaste gangen en de jachtgangen. De doorsnede van een gang is 4 tot 5 cm. |
De vaste gangen bevinden zich tot op een diepte van 50 cm onder de grond. Deze aarde wordt naar boven gewerkt en er ontstaan “molshopen”. Centraal hierin bevindt zich een vrij grote ruimte die dienst doet als nest met een 10 cm doorsnede. Deze ruimte bevindt zich altijd onder een stuk terrein dat dicht begroeid is. Hiervandaan leiden 3 gangen schuin naar boven waar ze uitmonden in een cirkelvormige gang. Van deze cirkel lopen 5 of 6 gangen schuin omlaag en eindigen in een tweede grotere ringgang die op een afstand van 15-25 cm om de woonruimte loopt. | 
|
Van deze ring lopen verschillende gangen straalsgewijs in alle richtingen. Deze vaste gangen werkt de mol zorgvuldig af : hij drukt de wanden goed aan om instortingen te voorkomen. Enkele centimeters onder de oppervlakte lopen de zogeheten jachtgangen, die veel eenvoudiger zijn gegraven. Bij de bouw van deze gangen wordt de aarde meestal wat omhoog gedrukt. In deze gangen gaan ze enkele malen per dag op zoek naar wormen (90 %), insectenlarven, insectenpoppen, pissebedden, .. . Deze vallen in de gang en worden door de passerende mol verorberd. Dit wil zeggen dat wanneer de regenwormen zeer actief zijn, er geen noodzaak bestaat om het gangenstelsel uit te breiden. In de winterperiode is dit niet het geval en dan verschijnen de meeste nieuwe molshopen ! Soms komt hij ’s nachts tevoorschijn boven de grond om zijn maaltijd aan te vullen met slakken, kleine muizen, kikkers, enz. De mol eet op jaarbasis ongeveer 21 kg regenwormen op !
De mol is namelijk zeer vraatzuchtig : hij eet per dag een hoeveelheid voedsel die gelijk is aan zijn eigen lichaamsgewicht. De maximale limiet dat een mol zonder eten kan overleven is slechts 12 uur. Moet de mol langer hongeren dan sterft het diertje ! Is er veel eten, bijvoorbeeld na een regen of dooiperiode veel regenwormen, dan gaat de mol daar een voorraad van aanleggen voor slechtere tijden. Omdat hij als echte insecteneter alleen levende dieren eet, gebruikt hij deze voorraad enkel zolang deze vers is. Om te zorgen dat de wormen niet wegkruipen, bijt hij instinctief het kopstuk eraf, meestal de eerste 2 tot 5 segmenten, waardoor de regenworm weliswaar wordt verlamd maar niet gedood. Bij droogte (vb zomer) graaft de mol zijn gangen dieper tot zelfs op 2 meter diepte om toch nog voldoende voedsel te vinden. Want als het grondwater zakt, dan zitten de regenwormen ook dieper en moet de mol dus dieper ondergronds wroeten om zijn voedsel te bemachtigen. Stijgt de grondwatertafel drastisch (vb in winter), dan is er kans dat een deel van het gangenstelsel onderloopt, en de mol nieuwe gangen moet gaan graven om voldoende voedsel te kunnen verzamelen. |
Dé oorzaak van het verschijnen van nieuwe molshopen heeft dus steeds te maken met het zoeken naar voedsel. Een flink bemeste en humusrijke grond trekt meer mollen aan doordat er voldoende regenwormen te vinden zijn !
| 
|
De oppervlakte van een territorium beslaat ongeveer 400 m2 (dus maximum 20 mollen per ha). De mol kan zich met een ongelooflijke snelheid van 7 km/u ondergronds voortbewegen; bovengronds is dat 5 km/u.
De mol is niet 24 uur per dag actief, meestal zijn er 2 tot 3 activiteitsperioden van ongeveer 4 uur. Dit is afhankelijk van de hoeveelheid voedsel dat de mol tegenkomt. Tussen november en februari valt er 1 activiteitsperiode samen met het daglicht en is er een korte periode ’s nachts. In de periode mei – augustus is de rustperiode overdag wat meer variabel en is er door de daglengte geen activiteit midden in de nacht. Bij de geboorte zijn de jongen volledig onbehaard en hun huid is dan roodachtig van kleur. Ze worden gezoogd maar na een 5-tal weken verlaten de jongen het nest. Ze blijven dan nog een 3-tal weken bij elkaar in het gangenstelsel van de moeder. Als ze bijna 10 weken oud zijn worden ze door hun moeder weggejaagd (± eind juni). Bij het uitzwermen van de jongen komen dan vaak “losse ritten” voor, dit zijn kleine stukken bovengrondse gangen. Ze worden maar 1-malig gebruikt. Hierin klemmen plaatsen heeft dan ook geen enkele zin. |
Bestrijding van mollen
Biologische bestrijding Een andere bestrijdingstechniek bestaat erin de mollen uit het terrein te verjagen. Hiertoe gaat men kleine lava-steentjes, gedrenkt in etherische oliën (handelsproduct : MOL-OUT), op 10 tot 20 cm diepte in de bodem aanbrengen. Deze etherische oliën werken onuitstaanbaar op de geurzin van de mol !
MOL-OUT nooit uitleggen in de mollengang zelf !!!!!
Maar met behulp van een ijzeren staaf maakt men zelf gaten in de bodem van 10 tot 20 cm diep op de rand van het perceel. Deze diepte is afhankelijk van de diepte van de grondwatertafel op die plaats, en dus met de diepte waar de mol zich op deze plaats ophoudt !
Met telkens 30 cm tot 1 meter tussenafstand (afhankelijk van de bodemsamenstelling : klei = 30 cm; zand = 1 meter) gaat men vervolgens langs de perceelsranden nieuwe gaten maken waar men de lava-steentjes laat invallen. Telkens wordt het gat mooi dicht gemaakt!
Is er nog géén mol aanwezig in het beoogde terrein op het moment dat MOL-OUT wordt toegepast, dan kan men volledig de perceelsranden volgen tot het terrein mooi omsloten is.
Is er daarentegen wél reeds een mol in het terrein aanwezig, dan mag men het terrein niet onmiddellijk volledig omsluiten : dit om de mol de tijd te geven zijn territorium te verschuiven. Men gaat dan als volgt tewerk : in de perceelsrand in de richting waar de mol niet mag komen gaat men de MOL-OUT aanbrengen. Dan laat men 5 tot 7 dagen tijd opdat de etherische oliën zouden kunnen uitvloeien in de bodem om op die manier een "geurmuur" te vormen voor de mol. Daar de etherische oliën onuitstaanbaar inwerken op de geurzin van de mol zal hij na enkele dagen kiezen om zijn territorium te verschuiven in de tegenovergestelde richting van waar de "geurmuur" zich bevindt.
Is het terrein niet te groot dan kan men geluk hebben dat na 1 week de mol uit het betreffende terrein is verdreven. En kan men vervolgens alle perceelsranden met MOL-OUT behandelen om het terrein mollenvrij te houden.
Is het terrein wat groter dan kan het zijn dat de mol wel reeds opgeschoven is, maar nog niet volledig uit het terrein verdreven is. Daarom gaat men een tweede "geurmuur" aanbrengen midden in het terrein. Is de mol de volgende week eindelijk uit het terrein verwijdert, dan gaat men alle perceelsranden met MOL-OUT behandelen.
De werkingsduur van MOL-OUT gaat van 4-5 maand in het voorjaar (koudere bodemtemperatuur) tot zowat 2.5-3 maand in de nazomer (warmere bodemtemperatuur). Want MOL-OUT is een biologisch product op basis van etherische oliën, die dus door bodembacteriën wordt afgebroken. Deze afbraak is gekoppeld aan de bodemtemperatuur : hoe warmer, hoe meer bacteriële activiteit en dus hoe vlugger het product is uitgewerkt.
|  |
| | |
|
Mechanische bestrijding
Bestrijding gebeurt het meest efficiënt met klemmen. De plaatsing ervan is het belangrijkste. Mollen trekken zowat altijd vanaf de afrastering en/of een waterkant het gazon in. Langs de kant komt hun hoofdgang voor en van daaruit vormen zich zijgangen. Dichtbij de rand van het perceel klemmen plaatsen is dus belangrijk. En zorg ervoor dat de geplaatste klem stevig in de grond staat. Bij opdroging van de grond zijn klemmen wat moeilijker vast te krijgen. In dat geval kan een tegel, .. op de klem een extra gewicht geven. Zorg er tevens voor dat, na het plaatsen van de klem, geen licht in de gang valt want mollen zijn lichtschuw.
Vooraleer te beslissen waar een klem wordt geplaatst kan men een oppervlakkige gang gaan dicht trappen. Wordt deze de volgende dag terug geopend dan moeten de klemmen net op die plaatsen worden uitgezet. Want een goed belopen gang wordt minstens alle 24 uur gebruikt !!
Als een dicht gestampte gang twee dagen niet is gebruikt, moet er daar géén klem worden geplaatst. Bij regenweer heeft men meestal weinig wroetactiviteit, hou hiermee evenwel rekening ! Bij het plaatsen van een klem trapt men best de gang een paar meter vóór en achter de klem dicht. Op deze manier kan je de volgende dag controleren of de gang inderdaad werd belopen, terwijl de klem bijvoorbeeld niet is afgesprongen als gevolg van een slechte opstelling. Op deze manier kun je van jezelf gaan leren ! Opgelet : als een mol een hindernis tegenkomt gaat deze steeds iets dieper wroeten; zorg er daarom voor dat de klemmen diep genoeg staan. |
Soorten klemmen 1) Beugelklem: meest courant in gebruik want vraagt de minste
routine ! Maak de loopgang ter breedte van de klem open; breng de klem in de loopgang en laat de klem één keer springen; stel de klem daarna opnieuw af op dezelfde plaats. Hiermee voorkom je dat de klem door vaste grond niet snel genoeg dichtslaat. Let op dat de vergrendelingspal tegen de bodem van de gang komt; plaats eventueel een hard kluitje onder de lip of plaats de klem een beetje schuin zodat de lip over een voldoende groot oppervlak in contact komt met de bodem van de gang.
|  
|
Want bij wat ruimte onder de lip kan de mol passeren zonder dat de klem dichtslaat. Bedek de klem tenslotte met losse grond of een omgekeerde zwarte emmer zodat de loopgang weer geheel LICHTDICHT afgesloten is.
|
2) Staartklem: Maak de loopgang ter breedte van de klem
open én zuiver de gang.
Breng de klem in de loopgang. Plaats de benen van de klem minstens 1.5 cm in de bodem van de gang. Laat de klem eerst één keer springen en stel ze daarna opnieuw af op dezelfde plaats. De afstelling gebeurt door het plaatje iets schuin in het midden tussen de poten te plaatsen. Plaats de klem zo diep mogelijk. Bedek de klem tenslotte met losse grond of een omgekeerde zwarte emmer, zodat de loopgang weer geheel LICHTDICHT afgesloten is.
| 
|
3) MINI - PODAL: deze klem kan IN een molshoop worden gebruikt.
De plaatsing is afhankelijk van het soort molshoop .
** een molshoop waar een gat te zien is na het verwijderen van de hoop aarde
Schuif de klem met gesloten armen in de mollengang zover dat het knikpunt
van de spanarmen aan de grond raakt; knijp nu met duim en wijsvinger de
spanarmen naar elkaar toe (onderaan opent de klem zich) terwijl men een
beetje links naar rechts beweegt; zo komt de klem goed stevig te staan; sluit de
mollengang af door alleen bovenin een kluitje vochtige grond te plaatsen; leg
het vergrendelplaatje op de spanarmen zo dicht mogelijk tegen de ogen zodat
de 2 pennetjes buiten de armen vallen; de klem staat nu scherp ! ** een molshoop waar géén gat te zien is na het verwijderen van de molshoop
Hier hebben we 2 klemmen nodig !
Met een schopje graven we een stukje weg op de plaats van de molshoop,
zodat we de horizontale gang zien op een 20 cm diepte; daar we nu 2
openingen hebben plaatsen we in élke gang een klem zoals hierboven reeds werd uitgelegd. |

|
4) MAXI – PODAL: de messen van deze klem moeten ONDER de mollengang
geplaatst worden; maak daarom de loopgang ter breedte van de klem zichtbaar
en trap de gang dicht over een 30 cm; zet met de hak van uw schoen een kluitje
in het midden van de gang; plaats de klem in de lengterichting op de gang
zodat de pal in het kuiltje valt. Pomp met de voet de messen via de bovenplaat
enkele keren naar beneden zodat de messen goed zitten; stel de klem scherp en
controleer de afstand tussen de lip en de bodem van de mollengang. |
 
|
Auteur: Ir. Koen Linskens |
| |